Olanzapine EG 7,5 Mg Filmomh Tabl 98 X 7,5 Mg
Op voorschrift
Geneesmiddel

Olanzapine EG 7,5 Mg Filmomh Tabl 98 X 7,5 Mg

  € 104,65

information-circle Terugbetaalbaar

Als je recht hebt op een terugbetaling voor dit geneesmiddel, betaal je in de apotheek een verlaagde prijs en niet de prijs die op onze webshop vermeld staat.

Terugbetalingstarief

€ 15,90 (6% inclusief btw)

Verhoogde tegemoetkoming

€ 10,50 (6% inclusief btw)

Belangrijke informatie

Voor dit geneesmiddel is een voorschrift nodig. Na beoordeling door de apotheker kan je het komen afhalen en betalen in de apotheek.

4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik Tijdens behandeling met antipsychotica kan het meerdere dagen tot enkele weken duren voordat de klinische toestand van de patiënt verbetert. Patiënten dienen nauwlettend gevolgd te worden tijdens deze periode. Dementiegerelateerde psychose en/of gedragsstoornissen Olanzapine is niet aanbevolen voor gebruik bij patiënten met dementiegerelateerde psychose en/of gedragsstoornissen door een toename in mortaliteit en het risico op CVA (cerebrovasculair accident). In placebogecontroleerde klinische onderzoeken (6-12 weken durend) bij oudere patiënten (gemiddelde leeftijd 78 jaar) met dementiegerelateerde psychose en/of gestoord gedrag, kwam het 2 keer vaker voor dat patiënten overleden wanneer ze met olanzapine werden behandeld vergeleken met placebo (respectievelijk 3,5 % versus 1,5 %). De hogere incidentie van overlijden was niet gerelateerd aan de dosis olanzapine (gemiddelde dagdosering 4,4 mg) of de duur van de behandeling. Risicofactoren die deze patiëntenpopulatie vatbaar kunnen maken voor verhoogde mortaliteit zijn: leeftijd > 65 jaar, dysfagie, sedatie, ondervoeding en dehydratatie, longaandoeningen (bijvoorbeeld pneumonie, met of zonder aspiratie) of gelijktijdig gebruik van benzodiazepines. De incidentie van overlijden in de groep die behandeld werd met olanzapine was echter hoger vergeleken met de met placebo behandelde patiënten, onafhankelijk van deze risicofactoren. In dezelfde klinische onderzoeken waren cerebrovasculaire bijwerkingen (bijvoorbeeld CVA, beroerte, transient ischemic attack [TIA]) gemeld, waaronder gevallen met dodelijke afloop. Er was een 3-voudige toename in cerebrovasculaire bijwerkingen bij patiënten behandeld met olanzapine vergeleken met patiënten die met placebo werden behandeld (respectievelijk 1,3 % versus 0,4 %). Alle patiënten behandeld met olanzapine en placebo, die een cerebrovasculaire bijwerking hadden ervaren, hadden voorafgaand aan deze bijwerking bestaande risicofactoren. Een leeftijd > 75 jaar en vasculair/gemengde dementie werden geïdentificeerd als risicofactoren voor cerebrovasculaire bijwerkingen geassocieerd met een behandeling met olanzapine. De werkzaamheid van olanzapine was niet bewezen in deze onderzoeken. Ziekte van Parkinson Het gebruik van olanzapine wordt niet aanbevolen voor de behandeling van door dopamineagonisten geïnduceerde psychose bij patiënten met de ziekte van Parkinson. In klinische onderzoeken werd verergering van de parkinsonsymptomen en -hallucinaties zeer vaak gemeld en vaker dan bij placebo (zie rubriek 4.8), en olanzapine was niet effectiever dan placebo in de behandeling van psychotische symptomen. In deze onderzoeken was het vereist dat patiënten in het begin stabiel waren op de laagste effectieve dosis van antiparkinsongeneesmiddelen (dopamineagonist) en gedurende het gehele onderzoek dezelfde antiparkinsongeneesmiddelen bleven gebruiken in dezelfde dosering. Olanzapine werd gestart met 2,5 mg/dag en opgebouwd tot een maximum van 15 mg/dag, gebaseerd op de beoordeling van de onderzoeker. Maligne Neurolepticasyndroom (MNS) MNS is een potentieel levensbedreigende aandoening die geassocieerd wordt met antipsychotica. Zeldzame gevallen, gemeld als MNS, werden ook ontvangen in relatie tot olanzapine. Klinische manifestaties van MNS zijn hyperpyrexie, spierrigiditeit, veranderde mentale status en aanwijzingen voor autonome instabiliteit (onregelmatige pols of bloeddruk, tachycardie, diaforese en cardiale dysritmie). Bijkomende symptomen kunnen een verhoogd creatinefosfokinase zijn, myoglobinurie (rabdomyolyse) en acuut nierfalen. Wanneer een patiënt klachten en symptomen ontwikkelt die duiden op MNS, of onverklaarbare hoge koorts heeft zonder aanvullende klinische verschijnselen van MNS, dienen alle antipsychotica, inclusief olanzapine, gestaakt te worden. Hyperglykemie en diabetes Hyperglykemie en/of ontwikkeling of exacerbatie van diabetes, in enkele gevallen geassocieerd met ketoacidose of coma, werd soms gemeld, waaronder enkele met een fatale afloop (zie rubriek 4.8). In sommige gevallen werd een voorafgaande toename van het lichaamsgewicht gemeld. Dit kan een predisponerende factor zijn. Een gepaste klinische controle is raadzaam overeenkomstig de van kracht zijnde richtlijnen voor antipsychotica, bijv. door het meten van het glucosegehalte in het bloed voor de start van de behandeling met olanzapine, 12 weken na de start en jaarlijks daarna. Patiënten die behandeld worden met eender welk antipsychoticum, inclusief olanzapine, dienen te worden geobserveerd op tekenen en symptomen van hyperglykemie (zoals polydipsie, polyurie, polyfagie en zwakte) en patiënten met diabetes mellitus of met risicofactoren voor diabetes mellitus dienen regelmatig gecontroleerd te worden op tekenen van verslechtering van de glucosecontrole. Het gewicht dient regelmatig te worden gecontroleerd, bijv. voor de start van de behandeling met olanzapine, 4, 8 en 12 weken na de start en daarna om de drie maanden. Lipidenveranderingen Ongewenste veranderingen in de lipiden werden gezien bij met olanzapine behandelde patiënten in placebogecontroleerd klinisch onderzoek (zie rubriek 4.8). Lipidenveranderingen dienen klinisch adequaat gereguleerd te worden, in het bijzonder bij dyslipidemische patiënten en patiënten met risicofactoren voor de ontwikkeling van lipidenstoornissen. Patiënten behandeld met eender welk antipsychoticum, waaronder olanzapine, dienen regelmatig gecontroleerd te worden op tekenen van lipidenstoornissen overeenkomstig de van kracht zijnde richtlijnen voor antipyschotica, bijv. voor de start van de behandeling met olanzapine, 12 weken na de start en daarna om de 5 jaar. Anticholinergische activiteit Terwijl olanzapine in vitro een anticholinerge activiteit vertoonde, toonden de klinische onderzoeken een lage incidentie van dergelijke gevallen. Aangezien klinische ervaring met olanzapine bij patiënten die lijden aan een bijkomende aandoening beperkt is, wordt echter geadviseerd dit met voorzichtigheid voor te schrijven aan patiënten met prostaathypertrofie of paralytische ileus en aanverwante aandoeningen. Hepatische functie Voorbijgaande, asymptomatische verhogingen van leveraminotransferasen (ALAT, ASAT) werden vaak waargenomen, vooral in het begin van de behandeling. Voorzichtigheid is geboden en er dient een opvolging te gebeuren bij patiënten met een verhoogde ALAT en/of ASAT; bij patiënten met klachten en symptomen van leverstoornissen; bij patiënten met reeds bestaande aandoeningen met beperkte functionele leverreserve en bij patiënten die behandeld worden met potentieel hepatotoxische geneesmiddelen. In gevallen waarin hepatitis (inclusief hepatocellulair, cholestatisch of gemengd leverletsel) werd gediagnosticeerd, dient de behandeling met olanzapine te worden gestaakt. Neutropenie Voorzichtigheid is geboden bij patiënten met een laag aantal leukocyten en/of neutrofielen, om welke reden dan ook, bij patiënten die geneesmiddelen krijgen, waarvan bekend is dat ze neutropenie veroorzaken, bij patiënten met een voorgeschiedenis van geneesmiddelgeïnduceerde beenmergdepressie/toxiciteit, bij patiënten met beenmergdepressie ten gevolge van een bijkomende ziekte, radiotherapie of chemotherapie en bij patiënten met hypereosinofilie of met myeloproliferatieve ziekte. Bij gelijktijdige toediening van olanzapine met valproaat is vaak neutropenie gerapporteerd (zie rubriek 4.8). Beëindiging van de behandeling Acute symptomen zoals transpireren, slapeloosheid, tremor, angst, misselijkheid of braken werden zelden gemeld (≥ 0,01 % en < 0,01 %) wanneer olanzapine abrupt werd gestaakt. QT-interval In klinisch onderzoek werd soms (0,1 % tot 1 %) een klinisch betekenisvolle QTc-verlenging (Fridericia QT-correctie [QTcF] ≥ 500 milliseconden [msec] op een willekeurig moment na baseline bij patiënten met een baseline QTcF < 500 msec) gemeld bij patiënten behandeld met olanzapine zonder een significant verschil in geassocieerde cardiovasculaire voorvallen in vergelijking met placebobehandelde patiënten. Voorzichtigheid is echter geboden wanneer olanzapine wordt voorgeschreven met geneesmiddelen die het QTc-interval verlengen, vooral bij ouderen, bij patiënten met een congenitaal verlengd QT-syndroom, congestief hartfalen, hypertrofie van het hart, hypokaliëmie of hypomagnesiëmie. Trombo-embolie Een tijdelijk verband tussen een behandeling met olanzapine en veneuze trombo-embolie werd soms gemeld (≥ 0,1 % en < 1 %). Er werd geen causaal verband vastgesteld tussen het optreden van veneuze trombo-embolie en een behandeling met olanzapine. Aangezien patiënten met schizofrenie echter vaak verworven risicofactoren voor veneuze trombo-embolie vertonen, dienen alle mogelijke risicofactoren voor VTE, bijv. immobilisatie van patiënten, te worden geïdentificeerd en preventieve maatregelen te worden genomen. Algemene werking op het zenuwstelsel Aangezien olanzapine voornamelijk op het centrale zenuwstelsel werkt, is voorzichtigheid geboden wanneer het in combinatie met andere centraal werkende geneesmiddelen dan wel alcohol wordt gebruikt. Omdat het in vitro dopamineantagonisme vertoont, kan olanzapine de effecten van directe en indirecte dopamineagonisten tegenwerken. Convulsies Olanzapine dient met voorzichtigheid gebruikt te worden bij patiënten met een voorgeschiedenis van convulsies of voor wie factoren gelden die de convulsiedrempel kunnen verlagen. Het optreden van convulsies werd soms gemeld bij patiënten behandeld met olanzapine. In de meeste van deze gevallen werden een voorgeschiedenis van convulsies of risicofactoren voor convulsies gemeld. Tardieve dyskinesie In vergelijkende onderzoeken van één jaar of minder werd olanzapine geassocieerd met een statistisch significant lagere incidentie van behandelingsgerelateerde dyskinesie. Het risico op tardieve dyskinesie neemt echter toe bij langdurige therapie; als er daarom klachten of symptomen van tardieve dyskinesie optreden bij een patiënt die olanzapine gebruikt, dient een verlaging van de dosering of staking overwogen te worden. Deze symptomen kunnen tijdelijk verergeren of zelfs verschijnen na het staken van de behandeling. Orthostatische hypotensie Tijdens klinische onderzoeken met olanzapine werd orthostatische hypotensie af en toe waargenomen bij ouderen. Het is aanbevolen de bloeddruk regelmatig te meten bij patiënten ouder dan 65 jaar. Plotse hartdood In rapporten na het op de markt brengen van olanzapine werd het optreden van plotse hartdood gerapporteerd bij patiënten behandeld met olanzapine. In een retrospectieve observationele cohortstudie was het risico op vooronderstelde plotse hartdood bij patiënten behandeld met olanzapine ongeveer twee keer zo groot als bij patiënten die geen antipsychotica gebruikten. In de studie was het risico van olanzapine vergelijkbaar met het risico van atypische antipsychotica die in een samengevoegde analyse waren geïncludeerd. Pediatrische patiënten Olanzapine is niet geïndiceerd voor de behandeling van kinderen en adolescenten. Onderzoeken bij patiënten tussen 13-17 jaar lieten diverse ongewenste bijwerkingen zien, zoals gewichtstoename, veranderingen in metabole parameters en toename van prolactinespiegels (zie rubrieken 4.8 en 5.1). Lactose Olanzapine EG filmomhulde tabletten bevatten lactose. Patiënten met zeldzame erfelijke aandoeningen als galactose-intolerantie, algehele lactasedeficiëntie of glucose-galactose malabsorptie, dienen dit geneesmiddel niet te gebruiken. Sojalecithine Dit geneesmiddel bevat sojalecithine die een bron van sojaproteïne zou kunnen zijn en mag daarom niet ingenomen worden door patiënten die allergisch zijn voor soja of pinda's door het risico op overgevoeligheidsreacties. Er werden kruisallergische reacties waargenomen tussen sojaboonproteïnen en pindaproteïnen.

Schizofrenie

  • Olanzapine is effectief in het handhaven van de klinische verbetering bij voortgezette behandeling van patiënten die in het beginstadium reageerden op de behandeling

Bipolaire stoornissen

  • Behandeling van matig tot ernstige manische episode
  • Voorkoming van een recidief bij patiënten met bipolaire stoornis die reageerden op behandeling met olanzapine

De werkzame stof in Olanzapine EG is:

  • olanzapine

Elke Olanzapine EG tablet bevat 7,5 mg actief bestanddeel.

De andere stoffen in Olanzapine EG zijn:

kern van de tablet

  • watervrije lactose
  • microkristallijne cellulose
  • crospovidon
  • magnesiumstearaat

filmomhulling van de tablet

  • polyvinylalcohol
  • titaniumdioxide (E171)
  • talk
  • sojalecithine (E322)
  • xanthaangom (E415)

4.5. Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie Onderzoek naar interacties alleen bij volwassenen uitgevoerd. Mogelijke interacties met invloed op olanzapine Aangezien olanzapine gemetaboliseerd wordt door CYP1A2, kunnen stoffen die dit iso-enzym specifiek kunnen induceren of remmen, de farmacokinetiek van olanzapine beïnvloeden. Inductie van CYP1A2 Het metabolisme van olanzapine kan worden geïnduceerd door roken en carbamazepine, wat kan leiden tot verminderde concentraties van olanzapine. Er is slechts een lichte tot matige verhoging van de klaring van olanzapine waargenomen. De klinische consequenties zijn waarschijnlijk beperkt, maar klinische controle wordt aanbevolen en een verhoging van de dosis olanzapine kan, indien noodzakelijk, overwogen worden (zie rubriek 4.2). Remming van CYP1A2 Van fluvoxamine, een specifieke CYP1A2-remmer, is aangetoond dat het het metabolisme van olanzapine significant remt. De gemiddelde toename in Cmax van olanzapine, volgend op fluvoxamine, was 54 % bij vrouwelijke niet-rokers en 77 % bij mannelijke rokers. De gemiddelde toename van de AUC van olanzapine was respectievelijk 52 % en 108 %. Een lagere startdosis van olanzapine dient te worden overwogen bij patiënten die fluvoxamine of enige andere CYP1A2-remmers gebruiken, zoals ciprofloxacine. Een lagere dosis olanzapine dient te worden overwogen als wordt begonnen met een behandeling met een remmer van CYP1A2. Verminderde biologische beschikbaarheid Geactiveerde kool vermindert de biologische beschikbaarheid van oraal olanzapine met 50 tot 60 % en moet ten minste 2 uur voor of na olanzapine worden ingenomen. Van fluoxetine (een remmer van CYP2D6), een enkele dosis antacidum (aluminium, magnesium) of cimetidine is niet aangetoond dat deze de farmacokinetiek van olanzapine significant beïnvloeden. Mogelijkheid van olanzapine om andere geneesmiddelen te beïnvloeden Olanzapine kan een antagonistisch effect hebben op directe en indirecte dopamineagonisten. Olanzapine remt niet de belangrijkste CYP450-iso-enzymen in vitro (bijvoorbeeld 1A2, 2D6, 2C9, 2C19, 3A4). Er wordt dus geen specifieke interactie verwacht, zoals bevestigd met behulp van in-vivo�onderzoeken waar geen remming van het metabolisme van de volgende actieve stoffen werd gevonden: tricyclische antidepressiva (die voornamelijk de CYP2D6-route vertegenwoordigen), warfarine (CYP2C9), theofylline (CYP1A2) of diazepam (CYP3A4 en 2C19). Olanzapine liet geen interactie zien wanneer het gelijktijdig werd toegediend met lithium of biperideen. Therapeutische controle van de valproaatplasmaspiegels gaf geen indicatie dat aanpassing van de valproaatdosis noodzakelijk is na de start van gelijktijdige toediening van olanzapine. Algemene werking op het zenuwstelsel Voorzichtigheid is geboden bij patiënten die alcohol gebruiken of geneesmiddelen krijgen die depressie van het centrale zenuwstelsel kunnen veroorzaken. Gelijktijdig gebruik van olanzapine met antiparkinsongeneesmiddelen bij patiënten met de ziekte van Parkinson en dementie wordt niet aanbevolen (zie rubriek 4.4). QTc-interval Voorzichtigheid is geboden wanneer olanzapine gelijktijdig wordt toegediend met geneesmiddelen die het QTc-interval verlengen (zie rubriek 4.4).

Zoals elk geneesmiddel kan ook dit geneesmiddel bijwerkingen hebben, al krijgt niet iedereen daarmee te maken.

Informeer uw arts onmiddellijk als bij u het volgende optreedt:  ongebruikelijke bewegingen (een vaak voorkomende bijwerking die tot 1 op 10 mensen kan treffen) hoofdzakelijk van het gezicht of de tong.  bloedklonters in de aders (een soms voorkomende bijwerking die tot 1 op 100 mensen kan treffen), vooral in de benen (symptomen omvatten zwelling, pijn en roodheid ter hoogte van het been), die zich via de bloedvaten naar de longen kunnen verplaatsen, waardoor pijn op de borst en ademhalingsmoeilijkheden ontstaan. Als u één van deze symptomen opmerkt, vraag dan onmiddellijk medisch advies.

 een combinatie van koorts, snellere ademhaling, zweten, spierstijfheid en sufheid of slaperigheid (de frequentie van deze bijwerking kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald).

Zeer zelden ernstige allergische reacties zoals DRESS (Drugreactie met eosinofilie en systemische symptomen). DRESS begint met griepachtige symptomen en huiduitslag in het gezicht, die zich daarna verder over het lichaam verspreidt, hoge temperatuur, vergrote lymfeklieren, verhoogde leverenzymwaarden die blijken uit bloedtests en een toename van een soort witte bloedcel (eosinofilie).

Zeer vaak voorkomende bijwerkingen (kunnen meer dan 1 op 10 mensen treffen) zijn o.a.  gewichtstoename  slaperigheid  toename van de prolactinespiegels in het bloed In de vroege stadia van de behandeling kunnen sommige mensen zich duizelig voelen of flauwvallen (met een trage hartslag), vooral wanneer men overeind komt vanuit een liggende of zittende positie. Dit gaat gewoonlijk vanzelf over maar indien dit niet het geval is, raadpleeg dan uw arts

Vaak voorkomende bijwerkingen (kunnen tot 1 op 10 mensen treffen) zijn o.a.  veranderingen in de concentraties van sommige bloedcellen en circulerende vetten, en in het begin van de behandeling tijdelijke verhogingen van de leverenzymen  verhogingen van de suikerspiegels in het bloed en de urine  verhogingen van de urinezuur- en creatinefosfokinasespiegels in het bloed  groter hongergevoel; duizeligheid  rusteloosheid; beven  ongebruikelijke bewegingen (dyskinesieën); verstopping  droge mond; uitslag  krachtverlies  extreme vermoeidheid  vochtophoping, leidend tot zwelling van de handen, enkels of voeten  koorts; gewrichtspijn  seksueel disfunctioneren zoals afgenomen libido bij mannen en vrouwen of erectiestoornis bij mannen

Overgevoeligheid voor olanzapine of voor één van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen. Olanzapine EG bevat sojaolie en mag niet gebruikt worden bij patiënten die overgevoelig zijn voor pinda's of soja. Patiënten met een bekend risico op nauwekamerhoekglaucoom.

Zwangerschap Er zijn geen adequate en goed gecontroleerde onderzoeken bij zwangere vrouwen beschikbaar. Patiënten dienen te worden aangeraden hun arts te informeren wanneer zij zwanger worden of zwanger willen worden tijdens de behandeling met olanzapine. Omdat de humane ervaring beperkt is, mag olanzapine echter slechts gebruikt worden tijdens de zwangerschap wanneer het mogelijke voordeel het mogelijke risico voor de foetus rechtvaardigt. Nieuwgeborenen die tijdens het derde trimester van de zwangerschap aan antipsychotica (waaronder olanzapine) werden blootgesteld, lopen het risico op bijwerkingen, inclusief extrapiramidale en/of ontwenningssymptomen, die kunnen variëren in ernst en duur na de bevalling. Er werden meldingen gedaan van agitatie, hypertonie, hypotonie, tremor, slaperigheid, ademnood of moeilijkheden bij het voeden van het kind. Bijgevolg dienen nieuwgeborenen nauwgezet te worden gecontroleerd. Borstvoeding In een onderzoek bij gezonde vrouwen die borstvoeding gaven, werd olanzapine uitgescheiden in de moedermelk. De gemiddelde blootstelling van het kind (mg/kg) in "steady-state" werd geschat op 1,8 % van de maternale dosis olanzapine (mg/kg). Patiënten dienen te worden geadviseerd hun kind geen borstvoeding te geven tijdens het gebruik van olanzapine. Vruchtbaarheid Effecten op de vruchtbaarheid zijn niet gekend (zie rubriek 5.3 voor preklinische informatie).

Volwassenen

  • Startdosis: 10 mg/dag
  • Onderhoudsdosis: 5 tot 20 mg/dag
  • Startdosis
    • 15 mg/dag in monotherapie (in 1 inname)
    • 10 mg/dag in combinatietherapie
    • Onderhoudsdosis: 5 tot 20 mg/dag
    • Startdosis: 10 mg/dag of de dosis die tijdens de laatste manische episode gebruikt werd
    • Onderhoudsdosis: 5 tot 20 mg/dag

Toedieningswijze

  • Tijdens of buiten de maaltijden
  • De tabletten geheel met water innemen
CNK 2805281
Organisaties Eurogenerics (EG) Generics & Consumer
Merken Eurogenerics (EG)
Breedte 80 mm
Lengte 150 mm
Diepte 90 mm
Hoeveelheid verpakking 98
Actieve ingrediënten olanzapine
Behoud Kamertemperatuur (15°C - 25°C)